dinsdag 16 juli 2024
Suriname: El Dorado?
Suriname: El Dorado?
Door Lachman Soedamah
Bijna iedereen kent het verhaal van El Dorado de vergulde stad die zich ergens in
ZuidAmerika zou moeten bevinden. Het verhaal over een mysterieuze stad die compleet van goud
zou zijn, wakkerde een ware goudkoorts aan in Latijns-Amerika, met
desastreuze gevolgen. De Spaanse conquistadores, die zich al veel goud hadden eigen
gemaakt, vernamen in de zestiende eeuw van de inheemse bevolking van een koning die zich
in het meer Parima zou baden en telkens geheel bedekt met goud zijn bad zou beëindigen: de
Gouden Man of El (Hombre) Dorado in het Spaans. De conquistadores gingen ogenblikkelijk
op zoek naar dit goudmeer Parima in Zuid Amerika. Het nieuws verspreidde zich snel en er
werden veel expedities op touw gezet, behalve door de Spanjaarden ook door de
Nederlanders, Fransen en Engelsen. Er werd tot diep in de 18e eeuw gezocht
in Colombia, Venezuela, Brazilië, Suriname en Guyana, maar ondanks de vele geruchten over
mogelijke vindplaatsen bleek El Dorado onvindbaar. Het sprookje van El Dorado is na
eeuwen nog altijd niet uit. Of misschien na jaren en nu in 2021 blijkt El Dorado toch in
Suriname te zijn. Of is Suriname El Dorado?
In de afgelopen jaren zijn er tonnen goud in Suriname gevonden en naar het buitenland
geëxporteerd en/of weggesmokkeld. Sinds 2004 zijn 2 grote goudconcessies uitgegeven aan
Iamgold en Newmont. Er zijn tal van bewezen en onbewezen goudaders in Suriname. De
omvang van de goudzoekers in Suriname wordt geschat op ca. 30.000 à 35.000 personen. Hoe
zou onze economie ervoor staan als wij zelf over onze goudvoorraad zouden beschikken en
zouden opslaan bij de Centrale Bank van Suriname (CBvS)? Transport hoeft geen probleem
te zijn, want de goudmijnen liggen niet ver van de moederbank. Met goudwinning alleen kan
Suriname steenrijk worden. Goud is al eeuwenlang de enige internationale betrouwbare
valuta. Door onze goudvoorraad in de kluizen van de CBvS fors te verhogen, zullen
devaluatie en inflatie beteugeld worden.
Bij een juiste en doelmatige exploitatie van de menselijke en natuurlijke hulpbronnen is het
mogelijk om van Suriname een welvarend land te maken. Dan zou zelfs een kleine bevolking
geen belemmerende factor zijn zoals vaak naar voren wordt gebracht. Suriname behoort aan
ons en niemand buiten ons zal de problemen waarmee wij worstelen kunnen oplossen. Ons
uitgangspunt moet zijn dat wij het lot in eigen hand nemen. Suriname is een van de rijkste
landen ter wereld en werd door de Wereldbank in 1995 gerangschikt als zeventiende rijkste
land ter wereld op basis van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen. Aan natuurlijke
rijkdommen is er in Suriname inderdaad geen gebrek. Maar wat merken wij vandaag de dag
hiervan in Suriname. Het land is onder water en wij gaan de wereld rond om geld te lenen.
Onlangs is er in zee, olie en gas gevonden. Eind negentiende eeuw werd de plantagelandbouw
verlaten waar toen suiker, koffie, katoen en cacao werden verbouwd. Hierna vond er een
verschuiving plaats richting binnenland alwaar goud, balata, bauxiet en hout werden
aangetroffen en geëxporteerd. Anderen in het buitenland profiteerden van deze exporten. Wij
trekken nauwelijks voordeel van onze eigen rijkdommen. Suriname is een land van
ongekende mogelijkheden. Het land is vruchtbaar en bosrijk. Het zou een paradijs voor
toeristen kunnen zijn. De tijd is thans aangebroken om een daad te stellen.
De regering dient duidelijke afspraken te maken over de voorwaarden waaronder de
multinationals het Surinaamse goud mogen winnen en verhandelen. Er dienen duidelijke
afspraken worden gemaakt over de afdracht van belastingen, het omgaan door de bedrijvenmet
het milieu en hoe de goudwinning de Surinaamse economie ten goede moet komen. De
goudinkomsten zijn ruimschoots genoeg om Suriname te ontwikkelen en de armoede te
bestrijden. Het exploiteren van Surinaamse natuurlijke hulpbronnen moet gebeuren op basis
van de leuze: ’vertrouwen in eigen kunnen’ en volgens het Staatsolie-model. Het opstarten
van een 100% Surinaams goudbedrijf zou prioriteit moeten hebben waarbij gewerkt dient te
worden aan het werven van kennis en kapitaal bijvoorbeeld door het aangaan van
samenwerkingsovereenkomsten met landen als Zuid-Afrika die een lange traditie hebben in
de goudindustrie. Het opzetten van opleidingen voor Surinaamse studenten en professionals
die een baan zoeken in de mijnbouwsector en het aantrekken van de Surinaamse diaspora
dient hierbij niet geschuwd te worden. In het uiterste geval dient het aandeel van Suriname bij
elke samenwerking met een buitenlands bedrijf te geschieden op basis van een 60/40
verhouding ten gunste van Suriname. De regering zou een denktank en goud instituut op
moeten zetten ter verdere ontwikkeling van de goudindustrie en om de gesloten
goudovereenkomsten te evalueren en in heroverweging te nemen. Tot nu toe heeft geen
enkele regering in Suriname een poging ondernomen om onze goudindustrie te
institutionaliseren. Ordening en ontwikkeling van de goudsector heeft door privé belangen en
belangtegenstellingen nimmer plaats gevonden. De regering moet niet verder tot uitbreiding
overgaan van de goudovereenkomsten met multinationals en anderen, maar ervaring opdoen
met de concessies die nu reeds zijn verleend aan onder andere de goud bedrijven en aan de
hand daarvan lessen trekken voor de toekomst. Daarbij is een integrale aanpak en lange
termijn visie van eminent belang. De lessen geleerd uit de bauxietindustrie kunnen hierbij
goed van pas komen. Ook hier trokken de multinationals uiteindelijk aan het langste eind.
Om Suriname economisch onafhankelijk te maken, zal een regering die haar taak serieus
neemt een economisch beleid moeten voeren gericht op het wegnemen van de greep van
buitenlandse politieke en economische machten op onze economie. Zij zal dienen te zorgen
voor maximale benutting van onze nationale bodemrijkdommen, kapitaalreserves en
arbeidspotentieel. De regering dient een integrale plan en visie te ontwikkelen met betrekking
tot de aanpak van het Surinaamse bos en de daarin voorkomende rijkdommen zoals
delfstoffen, biodiversiteit, water, hout etc. Ook andere mogelijkheden die het Surinaams
regenwoud biedt zoals eco-toerisme en CO2 compensatie dient meegenomen te worden in de
integrale aanpak van de regering. De gouddeals horen een onderdeel te zijn van deze integrale
aanpak en visie. In deze visie dient met het milieu zuinig omgesprongen te worden. De
gouddeals zijn een nationale zaak en dienen in alle openheid en transparantie te geschieden.
Suriname zou alleen met zijn goudvoorkomens het land tot een EL Dorado kunnen maken en
de andere natuurlijke hulpbronnen als reserves kunnen aanhouden. Want zoals het er nu
uitziet gedragen wij ons als de bedelaar op de gouden stoel. Wij houden de handen op terwijl
wij bovenop de schat zitten. In feite is Suriname EL Dorado maar alleen moeten wij tot dat
besef komen en er naar handelen.
zaterdag 9 januari 2021
donderdag 29 oktober 2020
Mogelijkheden om Surinaamse grensgeschillen op te lossen
Door Mr Dr Lachman Soedamah*
1. Historische achtergronden van de grensconflicten
Wat zijn de historische achtergronden van de grensconflicten die Suriname heeft met zijn buurlanden? Tussen Suriname en Guyana wordt getwist over de juiste grens hoewel die volgens beide landen samenloopt met de rivier de Corantijn. Het grensdispuut in het zuiden gaat over het betwiste gebied dat ligt tussen de Boven-Corantijn en de Coeroenirivier. Voor Suriname is de Boven-Corantijn de grensrivier, terwijl de Guyanezen de Coeroeni hanteren. Over de grens met Frans-Guyana aan de andere kant van Suriname, gaat het om vraag wat de bovenloop is van de Marowijne. Volgens de Fransen is dat de Litani terwijl Suriname de stroom die Marowini wordt genoemd als grensrivier hanteert. Deze grenskwesties zijn een erfenis uit het koloniale verleden. In de zestiende en zeventiende eeuw zijn geheel Guyana of delen ervan afwisselend bezet en beheerst door Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen, Fransen en Portugezen. Hun belangstelling gold alleen de kustvlakte, waar zij aan de rivieroevers hun plantages aanlegden. In de bijna onbewoonde en voor hen ondoordringbare binnenlanden waren zij niet geïnteresseerd. Daarom werden alleen in de kustvlakte grenzen afgebakend tussen de verschillende kolonies. Sinds 1816 was Suriname ononderbroken Nederlands. In 1831 vormden de voormalige Hollands-Zeeuwse kolonies Essequibo, Demerara en Berbice de Britse kolonie Brits-Guyana. In mei 1966 werd Brits-Guyana onafhankelijk van Engeland en werd de ‘Co-operatieve Republiek van Guyana’ geproclameerd, kortweg Guyana genoemd. Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk van Nederland. Evenals bij Guyana het geval was werden de onopgeloste grenskwesties, waaronder die met Guyana, door het voormalige moederland overgeheveld naar de jonge republiek. Als onafhankelijke staten zullen Suriname en Guyana nu zelf de van hun koloniale mogendheden geërfde grensproblemen dienen op te lossen. Evenals bij Guyana ligt de historische basis voor het grensgeschil tussen Suriname en Frans-Guyana (Frankrijk) in de koloniale geschiedenis van de Guyana’s, waar Europese ondernemingen zich vestigden met weinig aandacht voor exacte grenzen en de positie en belangen van de bevolking. Uit gegevens blijkt dat de Marowijnerivier in de loop van de zeventiende eeuw in het algemeen kan worden beschouwd als de oostelijke grens van het Nederlandse Guyana. Dit gebeurde, omdat de Nederlanders stilzwijgend de Fransen hadden toegestaan commerciële handelsmissies en militaire buitenposten te bouwen op de rechteroever van de rivier. De Nederlanders stonden deze Franse ingreep toe als een extra middel om te voorkomen dat slaven ontsnapten. In 1836 besloten de Nederlandse en de Franse regering hun gemeenschappelijke grens te regelen en kwamen zij overeen dat de Marowijne hun kolonies zou verdelen vanaf het Caribisch gebied-Atlantische Oceaan tot zijn oorsprong in de bergen van de Braziliaanse grens. Maar waar deze grens precies lag was onduidelijk.
2. Ontstaan en verdere ontwikkeling van de betreffende conflicten
Zoals reeds vastgesteld liggen de grenzen van Suriname met enerzijds Guyana en anderzijds Frans-Guyana nog steeds niet definitief vast. Voor wat de grens met Guyana betreft kwamen de gouverneurs Van Sommelsdijck en Van Peere in 1686 een grensovereenkomst overeen volgens welke de grensscheiding tussen Suriname en Guyana door afpaling midden door het gebied tussen de Corantijn en de Berbicerivier werd aangegeven. Eind 1799 sloten de twee tijdens het Britse koloniale bewind nog in functie zijnde Nederlandse gouverneurs een nieuwe grensovereenkomst. In deze overeenkomst tussen beide Nederlandse gouverneurs van twee op dat moment onder Britse bescherming staande koloniën, werd de grens verlegd naar de westoever van de Corantijn. De westoever bleef de grens bij de vorming van Brits-Guyana in 1831. Nadat de Duitser Robert Schomburgk in opdracht van de Britse regering de rivier de Coeroeni ontdekte, veronderstelde hij dat dit de bovenloop van de Corantijn was. Sindsdien verschijnt op kaarten deze Coeroeni als grens tussen Suriname en Brits-Guyana. Ongeveer dertig jaar later, in 1871, ontdekten de Engelse geologen Charles Barrington Brown en James Sawkins, die eveneens werkten in opdracht van de Britse regering, dat de Corantijn, ten zuiden van de Frederik Willem IV-watervallen, voortkomt uit twee bronrivieren: de Coeroeni en een andere rivier die breder, dieper en langer blijkt te zijn dan de Coeroeni. Die rivier werd op Engelse kaarten New River genoemd. Ondanks deze ontdekking bleven de Engelsen zich baseren op de geografische gegevens van Schomburgk en namen zij in 1899 officieel het standpunt in dat de Coeroeni de grens was. Nederland protesteerde hiertegen omdat het de New River, de rivier met het grootste debiet, als grens beschouwde en in 1965 ging de Surinaamse regering ertoe over de als New River bekend staande hoofdbronrivier van de Corantijn officieel aan te duiden als Boven-Corantijn. Op 26 mei 1966 werd Guyana onafhankelijk en eiste het de New River Triangle op. De daad werd bij het woord gevoegd en het Guyanese leger viel het gebied binnen en veroverde het op 19 augustus 1969. Tijdens een gezamenlijke bijeenkomst te Chaguaramas in Trinidad in 1971 kwamen Suriname en Guyana overeen hun legers terug te zullen trekken uit het betwiste gebied. Helaas werd deze afspraak niet nageleefd. Het Guyanese leger bleef achter en het probleem bleef onopgelost. Na de onafhankelijkheid herhaalde Suriname zijn claim op het betwiste gebied. Er werden bijeenkomsten gehouden door de ministers-presidenten van Suriname en Guyana en mogelijke oplossingen voor het grensprobleem werden besproken. In plaats van het oplossen van de bestaande grensproblemen ontstond er een nieuw maritiem geschil. Suriname gaat uit van 10° oost van het ware noorden vanaf Punt No. 61 door de territoriale zee en Guyana maakt aanspraak op 34° oost van het ware noorden door de territoriale zee. Op 17 september 2007 verdeelde een arbitragetribunaal het zeegebied tussen Suriname en Guyana tot op de laatste vierkante meters tot 200 zeemijlen vanuit het vastgestelde eindpunt van de landsgrens. In deze arbitrage gaat Guyana akkoord met een eindpunt van de landsgrens op de linkeroever van de rivier. Hetgrensprobleem in het Boven-Corantijn-gebied is daarmee nog steeds niet geregeld. Suriname trachtte nog tijdens de behandeling van het maritiem geschil bij het arbitragetribunaal, het territoriale grensgeschil in het zuidwesten te koppelen aan het maritieme conflict in het noordwestelijk zeegebied. Suriname stelde zich namelijk op het standpunt dat pas onderhandeld kon worden over de olieboringen in zee als het zuidwestelijk gebied werd gedemilitariseerd. Het arbitragetribunaal ging echter voorbij aan dit standpunt van Suriname. Nadat de Nederlandse en de Franse regering in 1836 hadden besloten dat de Marowijnerivier hun kolonies zou verdelen, rees de vraag, welke rivier de voortzetting van de Marowijne was, de Lawa of de Tapanahoni. Om een antwoord te geven op deze vraag werd in 1861 door beide gouvernementen een commissie benoemd. De commissie kwam tot de conclusie dat de Lawa de voortzetting van de Marowijnerivier was en nam de Litani als voortzetting van de Lawa aan. De bevindingen van de gemengde commissie van 1861 werden noch door Frankrijk noch door Nederland opgevolgd en het vaststellen van een formeel verdrag werd opgegeven. Toen in 1874 goud werd ontdekt in de Marowini begon een grote en georganiseerde goudrush naar het gebied. De Nederlanders voelden dat hun rechten werden geschonden door de aanwezigheid van Fransen, terwijl de landsregering in Parijs weinig interesse toonde om de grens af te bakenen. In 1888 legden Frankrijk en Nederland hun conflict ter arbitrage voor. De overeengekomen arbiter werd tsaar Alexander III van Rusland, die de verantwoordelijkheid aanvaardde om te beslissen in de zaak. In mei 1891 deed hij uitspraak ten gunste van Nederland en verklaarde niet de Tapanahoni maar de Lawa tot grens van de beide bezittingen, omdat Nederland militaire posten aan de Lawa had bezet en de weggelopen slaven die in het betwiste grondgebied woonden afhankelijk waren van het Nederlands gezag. Alexander’s verklaring regelde slechts een deel van het geschil. Zijn uitspraak betrof slechts de Lawarivier die de definitieve grens was geworden. Helaas, men was er nog niet; het samenvoegen van twee zijrivieren van bijna gelijke grootte, de Litani in het westen en de Marowini naar het oosten, vormt de Lawa rivier verder stroomopwaarts. Het geschil bleef onopgelost over de vraag welke van deze rivieren als belangrijkste voortzetting van de Lawa moet worden beschouwd en hoe dus de stroomopwaartse grens verliep. Een ander onderwerp dat had moeten worden aangepakt in die periode, maar niet was aangepakt, had betrekking op de eigendom van de eilanden in de Marowijnerivier. Een desbetreffend verdrag werd uiteindelijk gesloten te Parijs op 30 september 1915. Het verdrag beperkte zich tot de eilanden in de Marowijnerivier tussen het noordelijke punt van Stoelmanseiland (Nederlands) en het zuidelijke uiteinde van Portal Island (Frans). Volgens de conventie van 1915 wordt de grenslijn voor de Marowijne tussen het eiland Portal en opwaarts het Stoelmanseiland gevormd door de middellijn. Voor de Lawa - die bij de scheidsrechterlijke uitspraak van 1891 als grens is aangewezen - en bovenstrooms, is de grensscheiding nog niet geregeld. Met andere woorden: in de Marowijnerivier is - met uitzondering van het riviergedeelte waarvoor in 1915 bij verdrag een grensregeling werd getroffen - de grens tot heden niet vastgesteld. In het verdrag wordt ook niet aangegeven of gedefiniëerd of de Litani of de Marowini moet worden beschouwd als de zuidelijke uitbreiding van de grens met Brazilië.
3. De standpunten van Suriname en zijn buurlanden
Het maritieme conflict tussen Suriname en Guyana in het noordwestelijk zeegebied is op 17 september 2007 opgelost door een arbitrageuitspraak. Het grensprobleem in het Boven-Corantijngebied is nog steeds niet geregeld. In het zuidwesten gaat het om de bepaling van de bron van de Corantijn. De onderzoekingen van Schomburgk en Brown hebben Suriname en Guyana niet dichter bij elkaar gebracht. De tegenstellingen zijn juist groter geworden. De standpunten van beide landen liggen ver uit elkaar. Om aanspraak te maken op het betwiste gebied stelt Suriname zich op het standpunt: dat de grens tussen Suriname en Guyana gebaseerd is op de gouverneursovereenkomst van 1799; - dat daarbij valt te concluderen dat de grens loopt langs de linkeroever en dat dus de Corantijn een nationale Surinaamse rivier is; - dat de reis van Robert Schomburgk een eenzijdige Britse operatie was die de Britse visie op de grenzen van de nieuwe kolonie Brits-Guyana in kaart bracht; - dat zij onkundig werd gelaten van de ontdekking van de New River door Barrington Brown en dan ook geen reden had om omtrent de bovenloop van de Corantijn een discussie met de Britten te openen; - dat ook latere metingen de bevindingen van Brown bevestigen, dat de New River in lengte, breedte en diepte de Koeroeni-Koetari verre overtreft en dus geacht moet worden de bronrivier, in casu de bovenloop van de Corantijn te zijn; - dat de aanwezigheid van Guyanese militairen in het betwiste gebied in strijd is met de overeenkomst van Chaguaramas; - dat de vaststelling van het drielandenpunt aan de bron van de Koetari geen rechtskracht heeft, aangezien er geen bekrachtiging van het in 1938 opgestelde grenstraktaat plaatsvond; - dat de gouverneurs in 1799 met de Corantijn hebben bedoeld ‘van oorsprong tot monding’ en dat de oorsprong niet wordt bepaald door de geschiedenis, maar door de natuur (‘nature determines the source’).
Guyana stelt zich op het standpunt: - dat de gouverneursovereenkomst van 1799 geen grensregeling betrof, maar een overeenkomst tot afstand van grondgebied van de kolonie Berbice; - dat de grens later door de moederlanden zou worden geregeld; - dat de Britse regering de Nederlandse regering op de hoogte heeft gesteld van de reis van Schomburgk en die regering zelfs heeft uitgenodigd gezamenlijk de grens tussen de beide koloniën te verkennen, maar dat daarop negatief is gereageerd;
- dat de door Schomburgk vervaardigde kaart ook door Nederland, c.q. Suriname werd gebruikt; - dat de Surinaamse landmeter Loth ‘met goedkeuring van mr. H.J. Smidt, gouverneur van de kolonie Suriname’ in 1888 een kaart van Suriname vervaardigde waarop ook de New River à la Brown is ingetekend maar waarbij niettemin de Koetari als grens is aangegeven; - dat de Nederlandse bewindslieden in het Nederlandse parlement op diverse momenten hebben aangegeven, dat de Koeroeni-Koetari als grens moet worden aangehouden; - dat de Nederlandse Koninkrijksminister van Buitenlandse zaken Joseph Luns in april 1966 tegenover de Britse onderminister van Buitenlandse zaken Lord Walston in tegenwoordigheid van de gevolmachtigd minister van Suriname verklaarde dat ‘Suriname had shown great restraint in not excercising acts of sovereignty in the New River Triangle’; - dat de aanwezigheid van ‘Guyanese personnel’ in het betwiste gebied is te beschouwen als ‘a normal excercise of our sovereignty rights within our state’; - dat de Nederlandse regering op 4 augustus 1930 aan de Britse regering het voorstel deed om een grensverdrag te sluiten, waarvan de kern zou zijn dat: ‘The frontier between Suriname and British Guiana is formed by the left bank of the Corentyne and Cutari up to its source, which rivers are Netherland territory’; - dat de Britse regering op 6 februari 1932 daarop als volgt reageerde: ‘His Majesty’s government are gratified to learn that the Netherlands government are prepared to recognize the left banks of the Corentyne and Cutari Rivers as forming the boundary, provided that His Majesty’s government recognise the rivers themselves are belonging to the Netherlands Government’.
In de loop der jaren is het grensdispuut in een bijna vijandige sfeer terechtgekomen waarbij zelfs sprake was van een gespannen sfeer tijdens de bezetting van het Boven-Corantijngebied door Guyana in 1969 en de verwijdering op 6 mei 2000 van het CXG-platform uit het betwiste zeegebied door Surinaamse marineboten. De regering Bouterse heeft bij haar aantreden kenbaar gemaakt het grensdispuut tussen Suriname en Guyana voorlopig niet op de agenda te plaatsen. Het beleid van de regering Bouterse is gericht op datgene wat de landen met elkaar bindt en heeft als standpunt dat de relaties met buurlanden verder reiken dan de grenzen. Agrarische samenwerking, ontwikkeling van natuurlijke hulpbronnen en infrastructuur die voor beide landen enorm belangrijk zijn, dienen eerst aangepakt te worden. In deze visie zullen de grensbesprekingen, die jaren in beslag kunnen nemen, pas weer op de agenda worden geplaatst wanneer de tijd daar rijp voor is. In feite komt deze aanpak van de regering Bouterse erop neer dat het grensprobleem thans wordt geparkeerd en dat er wordt gewerkt aan goede bilaterale betrekkingen. Deze houding van de Surinaamse regering werkt in het voordeel van Guyana dat geen haast heeft bij het oplossen van het grensgeschil omdat het vanaf 1969 feitelijk gezag uitoefent in het betwist gebied. Met betrekking tot het oosten van Suriname beschouwt Frankrijk de Litani en niet de Marowini (Marowijnekreek) als grens.
Als argumenten hiervoor voert dit land het volgende aan: - De Nederlands-Franse commissie van 1861 was op de verschillende in haar rapport aangegeven gronden reeds tot de slotsom gekomen dat de Litani als hoofdrivier moest worden beschouwd. Op herapport van deze commissie steunende, had de Tsaar van Rusland in 1891 uitgemaakt, dat de Lawa en niet de Tapanahoni de hoofdrivier was. Lag het dan niet voor de hand ten aanzien van het gedeelte meer stroomopwaarts eveneens de bevindingen der gemengde commissie te aanvaarden? - In het in 1905 ter conferentie te ’s-Gravenhage opgestelde en door de Nederlandse gedelegeerden ondertekende ontwerpverdrag werd de Litani als grensrivier aangenomen. - Er is een ontwerpverdrag met een drielandenpunt bij de Litani.
Suriname neemt als standpunt in dat veel argumenten pleiten voor de Marowini als grens:
- de naam ‘Marowijne’ is zonder uitzondering steeds gebezigd voor de oostelijke tak (de Marowijnekreek) van de bron van deze rivier. Het algemeen gebruik van de naam ‘Marowijne’ of ‘Marowini’ van deze tak van de bovenrivier schijnt te bevestigen, dat ze door de bosbewoners is beschouwd als de voortzetting van de rivier bovenstrooms; - temeer is er aanleiding de ‘Marowini’ als hoofdrivier te beschouwen in verband met de situatie van haar bron, lengte en algemene richting, zelfs indien haar capaciteit geringer zou zijn dan die van de Litani; - de oorspronkelijke bewoners van Suriname hebben zich omstreeks 1790 aan de oever van de oostelijke rivier gevestigd (deze bewoners waren, direct of indirect, afhankelijk van het Nederlands gezag, zoals het bestuur van Frans-Guyana herhaaldelijk had erkend); - een Nederlandse expeditie heeft minstens tweemaal de oostelijke rivier bezocht (in 1793); - op deze gronden moet de ‘crique Marowini’ als grens worden beschouwd; - de gemengde commissie van 1861 heeft niet voldoende gegevens verzameld om uit te maken of de Litani dan wel de Marowini als bovenloop van de Marowijne moet worden beschouwd (volgens Wekker worden metingen inzake de watercapaciteit der beide bronrivieren, bedoeld ); - de Nederlandse gedelegeerden op de conferentie van 1905 zijn ervan uitgegaan, dat in werkelijkheid de oostelijke tak als voortzetting bovenstrooms van de Marowijne moet worden beschouwd, al hebben zij dan ook ten einde in de geest van wederzijdse tegemoetkomingen tot een accoord te kunnen komen, de Litani als grens willen aanmerken; - de Nederlandse regering gelooft om deze redenen niet, dat men zich op het standpunt zou kunnen stellen dat de aanvaarding van de Litani als voortzetting van de Marowijne reeds een voldongen feit zou zijn; veel argumenten pleiten voor de Marowini als grens.
Aangezien Nederland en Frankrijk het niet eens konden worden over de vraag of de Litani dan wel de Marowini als voorzetting van de Lawa zou gelden kwam na langdurige onderhandelingen in 1939 een ontwerp-verdrag tot stand waarbij de Litani als grensrivier is aangenomen. Deze onderhandelingen werden door de Tweede Wereldoorlog onderbroken. Besprekingen in 1975 en 1979 tussen Frankrijk en Suriname hebben niet in een door partijen aanvaard verdrag geresulteerd. Met betrekking tot de verhouding tussen Suriname en Frans-Guyana (Frankrijk) vindt er bilaterale samenwerking plaats. De samenwerkingsrelatie met Frans-Guyana is vooral gericht op de veiligheid en ontwikkeling in het grensgebied. Met de Franse regering worden nu ook afrondende gesprekken gevoerd over de zeegrens. Wanneer de gesprekken worden afgerond is nog onduidelijk. Na het ontwerp-verdrag van 1939 is de grenskwestie tussen de Litani en de Marowini, na de toenaderingsgesprekken van 1975 en 1979 om besprekingen te hervatten, niet meer behandeld door Frans-Guyana (Frankrijk) en Suriname. Het valt op dat de betrokken partijen dit onderwerp angstvallig lijken te mijden. Hoe langer hiermee gewacht wordt, hoe moeilijker het zal worden, vooral wanneer natuurlijke rijkdommen in het gebied ontdekt zouden worden.
4. Mogelijkheden om deze grensgeschillen te beslechten
In Latijns-Amerika zijn verschillende mogelijkheden en maatregelen geprobeerd en toegepast om grensgeschillen te beslechten. Verschillende invalshoeken en perspectieven zijn te vinden die bij de mogelijke oplossing van de Surinaamse grensgeschillen een rol kunnen spelen. Emoties kunnen hoog oplopen bij grensconflicten en velen zijn bereid zware offers te brengen voor het vaderland. Aangezien het probleem zo nauw verbonden is met het nationalistische zenuwstelsel van elke natie, kan een regering het te riskant vinden om een eventuele overeenkomst te accepteren die de nationale integriteit en de nationale trots lijkt op te offeren. Daarom doet Suriname er goed aan om een langetermijnvisie te ontwikkelen voor het oplossen van zijn grenskwesties. Bij het ontwikkelen van deze visie of grenspolitiek zou Suriname initiatieven kunnen stimuleren van ‘burgerdiplomatie’. Als eerst aan beide kanten door burgerdiplomatie een breed gedragen consensus kan worden opgebouwd voor een wederzijds voordelige overeenkomst , dan is het voor leiders eenvoudiger om risico’s te aanvaarden. Het grensgeschil tussen Suriname en zijn buurlanden is al meer dan een eeuw een telkens terugkerend probleem voor de regio. Maar door het maatschappelijk middenveld en de leiders van grotere gemeenschappen steeds meer erbij te betrekken via integrale communicatie en door meer oog te hebben voor wederzijdse behoeften en belangen, kan de basis worden gelegd voor het ontwikkelen van consensus over de aanpak van de problemen. Dit maakt het voor regeringen eenvoudiger om consensus onder de bevolking te krijgen over oplossingen waar in beide landen draagvlak voor is. Oorlogvoering is geen optie voor Suriname om zijn grensgeschillen te beslechten. Oorlogvoering en/of het gebruikmaken van geweld is een wijze waarop grondgebied effectief bezet kan worden. In de negentiende eeuw vonden op deze manier tal van grenswijzigingen plaats, waarbij sommige landen territorium verloren en andere landen profiteerden van gebiedsuitbreiding. In de loop der tijd is de overtuiging ontstaan dat geschillen niet moeten worden beslecht door oorlog, maar op een vreedzame manier via dialoog. Hoewel kleine verschillen over de afbakening van grenzen er altijd zullen blijven, is de nadruk op de integriteit van de nationale grenzen, die in het verleden zo’n belangrijke rol speelden in nationalistische politiek, zo goed als verdwenen. Het kan heel goed zijn dat de nationale regeringen in Latijns-Amerika in toenemende mate gaan samenwerken om ongecontroleerde en vaak criminele politieke en economische activiteiten in grensregio’s te onderdrukken. In het VN-Handvest wordt bepaald dat voor vrede en veiligheid het gebruik van geweld tussen staten verboden is. Artikel 2 lid 3 bepaalt dat de leden hun internationale geschillen ‘langs vreedzame weg tot een oplossing brengen op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en de gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht’. Gebruik van geweld is geen optie om geschillen op te lossen; in plaats daarvan moeten staten gebruikmaken van vreedzame methoden voor geschillenbeslechting. Bij grensgeschillen komt het vaak voor dat de ene staat alles in het werk stelt om te benadrukken dat sprake is van een grensgeschil en daarvoor oplossingen zoekt terwijl de andere staat volhoudt dat er geen sprake is van een grensconflict, zodat enige vorm van toenadering tussen de twee landen vrijwel onmogelijk is. Door deze patstelling laten oplossingen van het geschil lang op zich wachten en besluiten landen zaken op hun beloop te laten. Suriname zou zijn grensgeschillen op hun beloop kunnen laten en de weg van het niets doen kunnen bewandelen, maar dit zou nadelig voor Suriname kunnen uitpakken. Op grond van een aantal grondslagen aan de hand waarvan de titel van grondgebied in het internationaal recht kan worden vastgesteld zou Suriname zijn aanspraken kunnen verspelen indien het zijn grensgeschillen op hun beloop laat en de weg van het helemaal niets doen bewandelt. Wil Suriname zijn aanspraken op de betwiste grensgebieden niet verspelen dan zal het binnen afzienbare tijd met deskundigen een aantal maatregelen dienen te nemen om de verschillende grensgeschillen op te lossen. Als bilaterale oplossingen falen, zou elk van de overheden de kwestie moeten voorleggen aan een internationaal tribunaal dat bestaande regels van formeel en materiëel recht zal volgen. Bij de Zuid-Amerikaanse grensgeschillen zijn methoden van conflictbeslechting toegepast. Na het mislukken van diverse methoden van diplomatieke conflictbeslechting werd een geschil vervolgens vaak onderworpen aan arbitrage en/of rechtspraak. Tot de diplomatieke methoden van conflictbeslechting behoren onderhandelingen, goede diensten, bemiddeling, feitenonderzoek en conciliatie. Deze methoden kunnen worden vergeleken met methoden die in het nationaal recht veelal worden aangeduid als alternatieve geschillenbeslechting. Om zijn grensproblemen op te lossen, zal Suriname gebruik dienen te maken van deze verschillende methoden van geschillenbeslechting. In de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben diverse diplomatieke methoden van conflictbeslechting, zoals onderhandelingen, niet het gewenste resultaat gehad. Suriname heeft de nog bestaande grensgeschillen nimmer onderworpen aan gerechtelijke geschillenregeling en/of arbitrage. De Surinaamse grensgeschillen zijn nooit voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof. Suriname zal een breder, dieper en meer geavanceerd inzicht dienen te ontwikkelen in de belangrijkste methoden voor het beslechten van zijn grensgeschillen en van de gevolgen daarvan in termen van definitieve oplossing, acceptatie, kosten, tijd en kwaliteit in samenhang met de kosten en baten die waarschijnlijk ontstaan voor de betrokken partijen. Indien grens- en territoriale geschillen geïsoleerd en niet in het kader van de langetermijnbelangen van een land worden behandeld, zullen geschillen blijven voortduren en zullen bilaterale betrekkingen waarschijnlijk verder verslechteren. Grens- en territoriale geschillen worden in Suriname doorgaans geregeld als onderdeel van het buitenlands beleid. Suriname dient een duidelijk grensbeleid te ontwikkelen dat slepende grensconflicten aanpakt waardoor zijn bilaterale betrekkingen niet verslechteren maar verbeteren. In het belang van de effectieve ontwikkeling van Suriname zullen grenskwesties niet langer op hun beloop gelaten moeten worden. Om zijn grenskwesties te bestuderen, beleid te ontwikkelen en te bewaken zou Suriname een Grens Instituut dienen op te richten en dit orgaan met deze taken moeten belasten. Het conflict tussen de Guyana’s sleept zich al decennia lang voort en heeft al die tijd niets of nauwelijks iets opgeleverd. Bilaterale economische relaties tussen de buurlanden worden gehinderd door het grensconflict. Tegen de achtergrond van de politiek-economische verschuivingen in een snel veranderende wereld en het besef dat ze evenmin in staat zullen zijn om op eigen kracht antwoord te geven aan de uitdagingen van de huidige internationale tendensen, zullen de Guyana’s hun samenwerkingsverbanden dienen te intensiveren en verder dienen uit te breiden. Naast mileuproblematiek, economische samenwerking en economische integratie moet de individuele bereidheid van de presidenten van de Guyana’s bij de voortgang van de besprekingen voor de oplossing van het grensconflict niet worden onderschat. De persoonlijke kwaliteiten van de regeringsleiders kunnen grote invloed uitoefenen bij de totstandkoming van een akkoord. Bij het oplossen van zijn grenskwesties zal Suriname het initiatief moeten nemen. Van een onafhankelijke staat mag worden verwacht dat het alles in het werk stelt om zijn grondgebied van duidelijke grenzen te voorzien. Immers, dan is Suriname, dat op 25 november 1975 een soevereine staat werd, compleet!
*Curriculum vitae
Lachman Soedamah is geboren in het district Nickerie, Suriname. Hij vertrok in 1974 naar Paramaribo. Hier slaagde hij in 1977 voor het eindexamen vwo aan het Mr. Dr. J.C. de Miranda Lyceum. Vervolgens studeerde hij Nederlands recht. Eerst in Paramaribo, later in Amsterdam. In 1987 voltooide hij zijn examen Nederlands recht aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens zijn studie richtte hij samen met andere studenten de Rechtswinkel Migranten te Amsterdam op. Van 1988-1999 is Lachman Soedamah werkzaam geweest als advocaat en procureur te Amsterdam bij het Advocaten kollektief Bijlmermeer. Van 1999 tot heden heeft hij als advocaat en procureur gewerkt bij Soedamah Advocaten te Amsterdam, een algemene rechtspraktijk. Als advocaat is hij betrokken geweest bij vele aandachttrekkende zaken, waaronder de SLM-vliegramp in 1989, de Bijlmerramp in 1992 en de ramp met het toestel van Turkish Airlines in 2009. Lachman Soedamah is actief in verschillende sociaal-maatschappelijke organisaties en is sinds mei 2018 voorzitter van VHP Nederland. Vanaf begin 2009 heeft hij de advocatuur gecombineerd met het promotieonderzoek dat hij als buitenpromovendus heeft verricht aan de Open Universiteit.
woensdag 28 oktober 2020
Diaspora bijdrage door kennisoverdracht en ondernemerschap.
Diaspora kan op een unieke manier bijdragen aan de ontwikkeling van hun land van herkomst, door kennisoverdracht en ondernemerschap. Deze promotievideo laat zien wat onze ervaringen zijn met diaspora experts via onze CD4D- en ED4D-projecten.
Met onze projecten ondersteunen we in een aantal landen de ontwikkeling van geselecteerde sectoren. We doen dit door diaspora-experts die in Nederland en andere EU-lidstaten wonen en werken in te zetten om hun kennis en expertise te delen.
Om te bepalen waar de meeste behoefte aan is, werken onze kantoren in de doellanden nauw samen met de overheidspartners. Onze inzet richt zich vooral op sectoren als landbouw, gezondheidszorg, onderwijs en de private sector. Binnen deze sectoren selecteren we gastinstellingen waar onze diaspora-experts mee gaan samenwerken zoasl sectorgerichte ministeries, ziekenhuizen, academische instellingen en lokale overheden.
Naast kennisoverdracht ondersteunen we diaspora met een ondernemende geest die een bedrijf willen starten of die willen uitbreiden in hun land van herkomst. We bieden hen training op maat, coaching in Nederland om hun ondernemersvaardigheden aan te scherpen en hun bedrijfsplannen te concretiseren. Uiteindelijk vindt een definitieve selectie plaats van twintig deelnemers die in 2020 kunnen deelnemen aan een verkenningsmissie naar Ghana of Ethiopië.
De diaspora-experts en hun motivatie staan centraal in deze film. Wereldwijd zijn diaspora bepalend bij het leggen van verbindingen tussen samenlevingen en bij het introduceren van nieuwe kennis en het bevorderen van de handel in hun land van herkomst.
zondag 21 juni 2020
zondag 14 april 2019
De toekomst van Suriname ligt in het bos
De toekomst van Suriname ligt in het bos
Behoud van natuur en milieu is de afgelopen periode met grote regelmaat in het nieuws verschenen: van smeltende ijskappen in kouder gebieden tot ontbossing van grote gebieden in Zuid-Amerika. Diverse onderwerpen met betrekking Surinaamse bos- en natuurbeheer, zijn eveneens de revue gepasseerd. Met zekere stelligheid kan gezegd worden dat hetgeen de Surinaamse natuur te bieden heeft, enorm over het hoofd gezien wordt binnen de aanpak van de crisis waar het land thans mee te maken heeft.
Suriname beschikt over circa 14.8 miljoen hectare tropisch bos. Dit is bijna 98 procent van de totale landoppervlakte zoals vastgelegd wordt door de Wereldbank (bron: Wereldbank, 2016). Ruim één derde deel van dit gebied, 4.5 miljoen hectare grond, is bedoeld voor productiedoeleinden. Zo’n 98 procent van Suriname is met oerwoud bedekt en maakt deel uit van het grootste tropische regenwoud op aarde: het Amazonegebied.
Dat Surinaams bosbeheer meer en betere bescherming nodig heeft, behoeft geen uiteenzetting. We worden steeds bewuster van de wijze waarop houtkap in Suriname plaatsvindt en welke catastrofale gevolgen dat heeft voor de ontwikkeling van ecologisch en sociaal verantwoord bosbeheer.
Massale ontbossing, maar ook onverantwoorde bauxiet- en goudwinning zorgen voor verontreiniging van Surinaams grondgebied. Binnen goudwinningsprocessen staat het gebruik van kwik, één van de giftigste en meest schadelijke stoffen die bestaat, centraal. Het onverantwoorde gebruik van deze stof is voor zowel ons milieu als voor de volksgezondheid ontzettend schadelijk.
Bevordering van duurzaam gebruik van bosrijkdommen waar Suriname over beschikt, vraagt om evenwichtig en respectvol gebruik. Wordt er respectvol met de natuur omgegaan, dan kunnen wij daar de juiste vruchten van plukken en het land, met behulp van de natuur, op heilzame en gedegen manier bevrijden van de economische malaise.
Een zeer belangrijke oplossing voor de crisis waar het land in terecht is gekomen, heeft betrekking op bewust gebruik van de Surinaamse bossen. Het land kan zichzelf verrijken met de eigen rijkdommen, mits er op constructieve wijzer ermee omgegaan wordt. Een strenger beleid en goede handhaving zijn niet slechts essentieel en onmisbaar voor het behoud van de Surinaamse natuur; het levert ook economische voordelen en vooruitgang op. Afzwakking van illegale praktijken kunnen verantwoorde houtproductie, recreatieve activiteiten en toerisme een groter bijdrage laten leveren aan de welvaart van Suriname.
Deugdelijk beheer van onze bosgebieden vraagt van overheden met wie de Surinaamse overheid nauw samenwerkt, een beter beleid te hanteren, gericht op bevordering van conservering. Geldelijke opbrengsten uit duurzaam beheerd bos lijkt momenteel niet de prioriteit van hedendaags bedreven politiek. Directe economische voordelen genieten de voorkeur en ecologische voordelen raken in de vergetelheid.
Ook ondernemers lijkt het belang van opbrengsten die over langere periode behaald kunnen worden, te ontgaan. Er is op dit vlak nog teveel sprake van een afwezigheid van lange termijn denken.
Ook ondernemers lijkt het belang van opbrengsten die over langere periode behaald kunnen worden, te ontgaan. Er is op dit vlak nog teveel sprake van een afwezigheid van lange termijn denken.
Een belangengroep die zich sterk en hard maakt voor het daadwerkelijk nut en de bescherming van onze natuur en milieu, zou geen slecht idee zijn. Er zou meer gehoor gegeven moeten worden aan de stem van ecologen, zowel nationaal als internationaal. De focus bij bewustwordingscampagnes zou moeten komen te liggen op het economisch voordeel van duurzaam bosgebruik, omdat financiële winsten nu eenmaal belangrijke en doorslaggevende factoren zijn.
Wij van VHP Nederland zijn van mening dat duurzaam gebruik van Surinaams bos dé sleutel is voor de welvaart van het land.
Wij van VHP Nederland zijn van mening dat duurzaam gebruik van Surinaams bos dé sleutel is voor de welvaart van het land.
VHP Nederland
zaterdag 29 juli 2017
maandag 12 oktober 2015
WETENSCHAPPER SOEDAMAH PLEIT VOOR GRENSINSTITUUT
WETENSCHAPPER SOEDAMAH PLEIT VOOR GRENSINSTITUUT
11/10/2015 16:02 - Eric Mahabier
Wetenschapper Lachman Soedamah.
DEN HAAG - Om grenskwesties te bestuderen, beleid te ontwikkelen en te bewaken zou Suriname op korte termijn een Grensinstituut’ moeten oprichten. Dit is nodig om grenskwesties op te kunnen lossen. Dat zegt wetenschapper Lachman Soedamah tegen de Ware Tijd.
Soedamah juicht het toe dat de Surinaamse regering het Tigri-vraagstuk met Guyana weer op de agenda heeft gezet. Volgens hem was Suriname lange tijd niet geneigd om het conflict tot een oplossing te brengen omdat het vraagstuk door interne problemen en wisselingen van regeringen, een lagere plaats op de agenda had gekregen. Ook Guyana, dat ook verwikkeld was in interne conflicten, leek niet geïnteresseerd te zijn in het starten van een dialoog om de jarenlange impasse te doorbreken.
Met de regering is Soedamah van mening dat gebruik van geweld geen optie is om geschillen op te lossen. In plaats daarvan zou Suriname gebruik kunnen maken van het volkenrecht en vreedzame methoden voor geschillenbeslechting, zoals diplomatieke conflictbeslechting, arbitrage of rechtspraak.
Bij de oplossing van de grensgeschillen elders in Latijns-Amerika hebben volgens Soedamah economische overwegingen en economische integratie een rol gespeeld bij het vredesproces. De Surinaamse grenskwestie heeft ook indirecte economische consequenties. Het conflict met Guyana sleept zich al decennialang voort en heeft al die tijd niets of nauwelijks iets opgeleverd.
Tegen de achtergrond van de politiek-economische verschuivingen in een snel veranderende wereld en het besef dat Guyana evenmin in staat zal zijn om op eigen kracht antwoord te geven aan de uitdagingen van de huidige internationale tendensen, zullen volgens de wetenschapper beide landen bij het zoeken naar oplossingen van hun grensconflict, hun samenwerkingsverbanden elders in Latijns-Amerika moeten intensiveren en deze verder moeten uitbreiden.
De standpunten van de buurlanden liggen inmiddels ver uit elkaar. Hoe langer wordt gewacht met het grensgeschil, hoe moeilijker het zal worden een oplossing te vinden, vooral wanneer natuurlijke rijkdommen in het gebied zouden worden ontdekt, meent de wetenschapper.
Lees meer: Wetenschapper Soedamah pleit voor grensinstituut - DWTonline.com http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2015/10/11/wetenschapper-soedamah-pleit-voor-grensinstituut/#ixzz3oNjH2r4e
zaterdag 12 september 2015
Jagernath Lachmon Lezing 2015
Uitnodiging Jagernath Lachmon Lezing 2015
Thema: De politieke ontwikkelingen in
de Republiek Suriname van de afgelopen 40 jaar: ‘Hoe nu verder?’
Het Wetenschappelijk Bureau van de VHP
Nederland memoreert jaarlijks de geboortedag van de gewezen VHP voorzitter
wijlen mr. Jagernath Lachmon. Zijn gedachtegoed en verbroedering van het volk
van Suriname leven in alle Surinamers voort. Met u staan wij jaarlijks stil op
deze memorabele dag en wij zijn zeer verheugd dat mr. dr. Hugo Fernandes Mendes
bereid is gevonden om als keynote speaker een middaglezing te houden over de politieke
ontwikkelingen in de Republiek Suriname van de afgelopen 40 jaar met name de
rol die mr. Jagernath Lachmon hierin heeft gespeeld.
Wat is de politieke betekenis van de heer
Lachmon geweest in het huidige politieke stelsel van Suriname? Hoe heeft het
politieke stelsel in Suriname zich de afgelopen 40 jaar ontwikkeld? Hoe heeft
het traditioneel partijenstelsel in Suriname zich de afgelopen 40 jaar
ontwikkeld? Welke kenteringen hebben zich voorgedaan? Wat is de betekenis van
40 jaar politieke partijen in Suriname en wat is het beeld voor de toekomst?
De lezing van mr. dr. Hugo Fernandes
Mendes is opgezet als een ‘respectvol prikkelend’ drieluik met als
overkoepelend thema: De
politieke ontwikkelingen in de Republiek Suriname van de afgelopen 40 jaar: ‘Hoe
nu verder?’
Mr. dr. Hugo
Fernandes Mendes, directeur
Stedelijke Bestuursadvisering & loco-Gemeentesecretaris in Amsterdam. Daarvoor was hij stadsdeelsecretaris
van Amsterdam Zuidoost.
De Jagernath Lachmon Lezing wordt
georganiseerd door het Wetenschappelijk Bureau van VHP Nederland en is
ingesteld om het gedachtegoed van mr. Lachmon te eren en te waarborgen voor de huidige
en toekomstige generaties. De grote waarde van Lachmon’s rol en betekenis voor
Suriname en de Surinaamse samenleving is ongekend groot en heeft invloed op de
wijze waarop er over Suriname wordt gedacht. Dit moment willen wij ook
gebruiken om de onderlinge banden in de Surinaamse gemeenschap in Nederland te
verstevigen.
Programma
13:00 uur: Inloop
13:30 uur: Welkomstwoord
drs. Soerin Mahesh, voorzitter van VHP Nederland
13:35 uur: Toelichting op het programma door de
dagvoorzitter dr. Sharda Somer
13:40 uur: Film van Ramdjan Abdoelrahman en Rabin
Baldewsingh over
Jagernath Lachmon “40 jaar leiderschap”
14:10 uur: Inleiding door mr. dr. Hugo Fernandes Mendes: ‘De
politieke ontwikkelingen in de Republiek Suriname van de afgelopen 40 jaar:
‘Hoe nu verder? ‘
15:40 uur: Pauze
15:55 uur: Discussie
met het publiek
16:45 uur: Slotwoord
17:00 uur: Informeel
en netwerken
18:30 uur: Sluiting
Datum: 27
september 2015
Tijd: 13.00
uur - 18.30 uur
Locatie: Planetarium
Amsterdam
Adres: Kromwijkdreef
11 1108 JA Amsterdam
Telefoon: 020 -
651 85 85
Gratis parkeergelegenheid.
U bent van harte welkom!
woensdag 22 april 2015
ZAAK JEUNESSE - NEDERLAND: langdurig illegaal verblijvende moeder mag bij gezin blijven
Belangrijke uitspraak: langdurig illegaal verblijvende moeder mag bij gezin blijven
Op 3 oktober 2014 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak gedaan in de zaak Jeunesse t. Nederland. Het EHRM stelt in deze uitspraak dat Nederland het recht op gezinsleven heeft geschonden door vast te houden aan het mvv-vereiste. Wat houdt dit vereiste in? En heeft deze uitspraak gevolgen voor het Nederlandse gezinsherenigingsbeleid?
Door Hemme Battjes en Nadia Ismaili
Waar gaat de zaak over?De zaak voor de Grote Kamer van het EHRM gaat over mevrouw Jeunesse, een Surinaamse vrouw die in 1997 naar Nederland is gekomen met een toeristenvisum. Nadat haar visum was verlopen, is zij niet terug gegaan naar Suriname maar in Nederland gebleven. In 1999 is ze getrouwd met de man met wie ze toen al twaalf jaar een relatie had. Haar man, ook van Surinaamse origine, kwam in 1991 naar Nederland en heeft sinds 1993 de Nederlandse nationaliteit. Mw. Jeunesse en haar man hebben samen drie kinderen. Alle drie hebben zij de Nederlandse nationaliteit.
Sinds haar verblijf in Nederland heeft mw. Jeunesse op verschillende gronden aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning. De laatste drie aanvragen zijn afgewezen omdat ze niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf, de zogenoemde ‘mvv’.
Wat houdt dit mvv-vereiste in?Vreemdelingen die naar Nederland willen komen voor verblijf bij een partner hebben een mvv nodig. Deze mvv is een visum dat vereist is wanneer een vreemdeling naar Nederland wil komen voor een verblijf van langer dan drie maanden. Een mvv kan niet in Nederland worden aangevraagd maar alleen bij de Nederlandse ambassade of het consulaat in het land van herkomst. Om in aanmerking te komen voor een mvv, moeten vreemdelingen voldoen aan een aantal voorwaarden, zoals het behalen van het inburgeringsexamen. Voor een uitgebreid overzicht van de voorwaarden zie het eerdere blog: Het recht op gezinsleven I: het EVRM.
Bescherming van het recht op gezinslevenIn principe is het zo dat als een vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, de aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen. Hierop bestaan enkele uitzonderingen, onder andere voor vreemdelingen die bescherming kunnen ontlenen aan het recht op gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM.
Artikel 8 EVRM behelst geen absoluut recht op gezinsleven. Bij de toepassing van artikel 8 in zaken waarin vreemdelingen om toelating verzoeken moeten staten het algemeen belang van de staat om immigratie te controleren afwegen tegen de belangen van het individu bij het uitoefenen van gezinsleven (de zogenaamde ’fair balance’ toets). Mw. Jeunesse heeft betoogd dat in haar geval het vasthouden aan het mvv-vereiste een schending oplevert van artikel 8 EVRM.
Wat stelt de Nederlandse staat?De Nederlandse autoriteiten betoogden dat (r.o. 85-93), nu het familieleven van mw. Jeunesse aanving terwijl zij illegaal in Nederland verbleef, uitzetting alleen onder zeer bijzondere omstandigheden tot een schending van artikel 8 EVRM zou kunnen leiden. En daarvan was volgens de staat hier geen sprake. Mw. Jeunesse heeft de staat in feite met haar langdurige aanwezigheid voor een voldongen feit willen plaatsen, terwijl haar herhaaldelijk is gemeld dat zij verplicht was Nederland te verlaten. Zij weigerde zelf hier gehoor aan te geven.
Volgens de staat zijn er bovendien geen onoverkomelijke obstakels om gezinsleven uit te oefenen in Suriname. Zowel mw. Jeunesse als haar man hebben immers een Surinaamse achtergrond. Dat zij kinderen kregen terwijl ze wisten dat mw. Jeunesse illegaal in Nederland verbleef, is hun eigen keuze geweest. De consequenties van deze keuze komen voor rekening van mw. Jeunesse, zo stelt de Nederlandse staat. Aangezien er geen obstakels zijn om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen, kunnen de kinderen bovendien met beide ouders opgroeien. De kinderen zijn verder nog jong, en kunnen zich nog makkelijk aanpassen aan de Surinaamse cultuur, waarin Nederlands de voertaal is.
Wat zegt het EHRM?Het EHRM gaat mee in het betoog van mw. Jeunesse en constateert dat artikel 8 in dit geval is geschonden. Mw. Jeunesse heeft geen mvv aangevraagd in het land van herkomst en daarmee voldeed ze niet aan haar verplichting, zo erkent het Hof. Het stellen van een dergelijke voorwaarde is staten in principe toegestaan (r.o. 101). Ook benadrukt het Hof dat het uitgangspunt blijft, dat personen die gezinsleven opbouwen tijdens een periode van onrechtmatig verblijf (of wanneer zij wisten dat hun verblijfsstatus onzeker was), in beginsel geen verblijfsaanspraken aan artikel 8 kunnen ontlenen. Dit is slechts anders als zich buitengewone omstandigheden voordoen (r.o. 108 en 114).
Volgens het Hof is dat in deze zaak het geval, het Hof stelt (r.o. 115-120);
– ‘eerst en vooral’ dat behalve mw. Jeunesse, alle leden van het gezin de Nederlandse nationaliteit hebben en het recht hebben in Nederland gezinsleven uit te oefenen;
– dat mw. Jeunesse ook de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, maar deze is verloren toen Suriname onafhankelijk werd;
– dat zij al 16 jaar in Nederland verblijft;
– dat haar verblijf in Nederland door de overheid een aanzienlijke periode is getolereerd, terwijl uitzetting wel mogelijk was, waardoor zij sterke familie-, sociale en culturele banden heeft kunnen ontwikkelen;
– dat zij geen strafblad heeft;
– dat hoewel er, gezien de Surinaamse achtergrond van haar man en de jonge leeftijd van de kinderen, geen onoverkomelijke obstakels bestaan om in Suriname te gaan wonen, zij wel ‘a certain degree of hardship’ zouden ervaren wanneer zij daartoe worden gedwongen;
– dat de impact van het weigeren van een verblijfsvergunning op de kinderen aanzienlijk is, aangezien mw. Jeunesse de dagelijkse zorg voor de kinderen draagt. Haar man werkt en is niet in staat deze zorg over te nemen. Het is niet in het belang van de kinderen dat de huidige relatie wordt verstoord door een gedwongen verplaatsing van hun moeder naar Suriname;
– dat de nationale autoriteiten zorgvuldiger hadden moeten kijken naar de gevolgen wat betreft uitvoerbaarheid, haalbaarheid en proportionaliteit van een verhuizing naar Suriname voor de kinderen.
– dat mw. Jeunesse ook de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, maar deze is verloren toen Suriname onafhankelijk werd;
– dat zij al 16 jaar in Nederland verblijft;
– dat haar verblijf in Nederland door de overheid een aanzienlijke periode is getolereerd, terwijl uitzetting wel mogelijk was, waardoor zij sterke familie-, sociale en culturele banden heeft kunnen ontwikkelen;
– dat zij geen strafblad heeft;
– dat hoewel er, gezien de Surinaamse achtergrond van haar man en de jonge leeftijd van de kinderen, geen onoverkomelijke obstakels bestaan om in Suriname te gaan wonen, zij wel ‘a certain degree of hardship’ zouden ervaren wanneer zij daartoe worden gedwongen;
– dat de impact van het weigeren van een verblijfsvergunning op de kinderen aanzienlijk is, aangezien mw. Jeunesse de dagelijkse zorg voor de kinderen draagt. Haar man werkt en is niet in staat deze zorg over te nemen. Het is niet in het belang van de kinderen dat de huidige relatie wordt verstoord door een gedwongen verplaatsing van hun moeder naar Suriname;
– dat de nationale autoriteiten zorgvuldiger hadden moeten kijken naar de gevolgen wat betreft uitvoerbaarheid, haalbaarheid en proportionaliteit van een verhuizing naar Suriname voor de kinderen.
Heeft het arrest gevolgen voor het Nederlandse gezinsherenigingsbeleid?Hoewel een aantal van de bovenstaande overwegingen erg specifiek zijn voor deze zaak, zijn er ook meer algemene consequenties uit af te leiden. In gezinsherenigingszaken komt altijd de vraag aan de orde hoe bezwaarlijk vestiging van de Nederlandse (of in Nederland al legaal verblijvende) gezinsleden in het land van herkomst van de vreemdeling zou zijn – hier dus: in Suriname. Tot vrij recent gold daarbij de vraag of daar “insurmountable obstacles” tegen bestaan. In het geval van Jeunesse zijn die er niet, aldus het Hof, maar het gezin zou wel “a degree of hardship” ervaren (r.o. 117). Hiermee lijkt het Hof een recent ingezette lijn in de jurisprudentie te verduidelijken: ‘insurmountable obstracles’ zijn niet per se vereist, in elk geval in zaken waarin minderjarige kinderen betrokken zijn. De staat zal daardoor het alternatief van vestiging elders veel minder makkelijk kunnen tegenwerpen.
Verder benadrukt het Hof het belang voor de kinderen van de dagelijkse aanwezigheid van de moeder. Mw. Jeunesse is huisvrouw (“homemaker”, r.o. 119), en haar echtgenoot kan de zorg voor de kinderen niet zomaar overnemen vanwege zijn werk. Het Hof herhaalt dat in het internationale recht het belang van het kind ‘of paramount importance’ is. Ook dit is een omstandigheid die in andere gevallen relevant kan zijn.
Ten slotte overweegt het Hof dat de Nederlandse autoriteiten niet serieus hebben gekeken naar de “practicality, feasability and proportionality” van verhuizing naar Suriname voor de kinderen (r.o. 120). Door de IND zal dus meer expliciet aandacht moeten worden besteed aan de concrete gevolgen voor kinderen van uitzetting van één van de ouders en dit zal door de rechter beter moeten worden getoetst. Voor de vreemdeling wordt het hierdoor beter mogelijk om een vestigingsalternatief aan te vechten.
Wat is de relatie met Unierecht?Mw. Jeunesse heeft in haar klacht verwezen naar de zogenaamde Zambrano-jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Volgens deze rechtspraak kan een vreemdeling aanspraak hebben op verblijf in de EU, als het enige alternatief zou zijn dat een Unieburger de EU moet verlaten en aldus geen genot meer kan hebben van de rechten die hij of zij aan het Unierecht ontleent. Dit kan zich voordoen in het geval van een moeder zonder Europese nationaliteit die de zorg heeft voor een Nederlands kind, zoals mw. Jeunesse. Het EHRM benadrukt dat het alleen aan het EVRM toetst, en niet aan Unierecht (r.o. 110). Toch vertoont de benadering van het EHRM wel zekere gelijkenissen met de Zambrano-jurisprudentie.
Doordat het Hof niet eist dat er onoverkomelijke obstakels voor vertrek naar Suriname zijn, wordt de grond voor het verblijf van het gezin in Nederland het Nederlanderschap van vader en kinderen, of misschien preciezer: de banden met Nederland. Dat doet denken aan de grond voor verblijf in de EU in Zambrano-gevallen – de mogelijkheid van genot van Unierecht. Een verschil met de Zambrano-lijn kan wel steken in de verdere voorwaarden bij de toetsing aan artikel 8 EVRM. Misschien was de uitkomst van deze zaak bijvoorbeeld anders geweest als de Nederlandse autoriteiten niet al die tijd van het verblijf van mw. Jeunesse op de hoogte waren geweest of indien zij wel een strafblad had gehad.
VERBLIJFBLOG OVER ACTUEEL MIGRATIERECHT
De sectie migratierecht van de Vrije Universiteit Amsterdam voorziet actuele migratierechtelijke thema’s van toelichting op dit Verblijfblog. Verblijfblog beoogt de kwaliteit van berichtgeving over migratierechtelijke thema’s te verhogen door actualiteiten te voorzien van juridische feiten en achtergronden. Recht is echter geen harde empirische wetenschap: regels en jurisprudentie laten veel ruimte voor interpretatie. Een eigen interpretatie van het recht zullen de auteurs op Verblijfblog echter zo min mogelijk geven. Wel kunt u van hen historische achtergronden verwachten, de inkadering van een probleem in wetgeving en jurisprudentie, een uitleg van relevant recht of simpelweg feitelijke gegevens. Zo hopen zij dat de lezer zelf tot een beter inzicht in de migratierechtelijke problematiek kan komen.
Het Verblijfblog bestaat uit twee secties. In ‘Actueel migratierecht’ worden actualiteiten toegelicht, voor stukken in deze rubriek ligt het initiatief bij de redactie van Verblijfblog. In ‘Vraag van de pers’ worden daarentegen vragen van de kranten De Correspondent en NRC beantwoord. Een versie van dit antwoord verschijnt tevens in die kranten. Alle bijdragen zijn kort en beogen toegankelijk te zijn voor een breed, niet-juridisch publiek. Dit mag ten koste gaan van de juridische fijnslijperij, maar niet van de juistheid.
De onderzoeksgroep Migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam bestaat uit:
Bahija Aarrass
Jill Alpes
Younous Arbaoui
Ted Baird
Hemme Battjes
Pieter Boeles
Evelien Brouwer
Galina Cornelisse
Paolo Cuttitta
Gareth Davies
Karen Geertsema
Hannah Helmink
Nadia Ismaili
Lisa Komp
Tamara Last
Veeni Naganathar
Marcelle Reneman
Lieneke Slingenberg
Johanne Søndergaard
Thomas Spijkerboer
Martijn Stronks
Orçun Ulusoy
Karin de Vries
In Memoriam Sarah van Walsum
Jill Alpes
Younous Arbaoui
Ted Baird
Hemme Battjes
Pieter Boeles
Evelien Brouwer
Galina Cornelisse
Paolo Cuttitta
Gareth Davies
Karen Geertsema
Hannah Helmink
Nadia Ismaili
Lisa Komp
Tamara Last
Veeni Naganathar
Marcelle Reneman
Lieneke Slingenberg
Johanne Søndergaard
Thomas Spijkerboer
Martijn Stronks
Orçun Ulusoy
Karin de Vries
In Memoriam Sarah van Walsum
De redactie van Verblijfblog
Elles Besselsen (redactiesecretaris)
Pieter Boeles
Nadia Ismaili
Veeni Naganathar
Marcelle Reneman
Martijn Stronks
Pieter Boeles
Nadia Ismaili
Veeni Naganathar
Marcelle Reneman
Martijn Stronks
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)
